Opdracht aan het uitvoeren... een moment geduld
| Oscar Peterson overleden | |
Een reus is geveld: Oscar Peterson, de Canadese jazzpianist, -componist en -arrangeur van wereldfaam, is zondagavond op 82-jarige leeftijd in Toronto gestorven. Daarmee komt een einde aan een loopbaan in de jazz die zeven decennia besloeg: Petersons eerste grammofoonplaten kwamen al in de jaren veertig uit.http://www.youtube.com/watch?v=N34dct1XodY http://www.youtube.com/watch?v=nKKpoCy0a5Y Oscar Peterson was een van de snelste en meest melodieuze jazzpianisten die de wereld ooit heeft gekend. Hij was beroemd om zijn schitterende timing en toucher. In 1925 werd hij in Montréal geboren als vierde kind, jongste zoon, van Olive en Daniel Peterson, twee West-Indische immigranten. In het gezin was muziek belangrijk. De vijf kinderen kregen hun eerste muzieklessen van vader: iedereen leerde piano èn een blaasinstrument spelen - in Oscars geval de cornet. Vader Peterson was streng: wie een fout maakte, kreeg een tik. Hij gaf de kinderen huiswerk op wanneer hij dagen achtereen op de trein zat, want als zovele zwarten werkte hij bij de spoorwegen. Maar de kleine Oscar oefende niet. Hij luisterde naar zijn veel vlijtiger zusje Daisy - en speelde de oefeningen bij de overhoring foutloos voor. Door zijn broer Fred kreeg Oscar Peterson belangstelling voor jazz. Was Fred niet op zijn zestiende aan tbc gestorven, dan was hij de wereldberoemde jazzpianist geworden, schreef Oscar Peterson decennia later. Zelf kreeg hij ook tbc, lag dertien maanden in het ziekenhuis en kon blaasinstrumenten verder vergeten. Maar na zo veel tijd zonder muziek was hij wel verlost van de weerzin om piano te studeren. Hij oefende uren achtereen - daar moet hij de bodem gelegd hebben voor zijn technische perfectie. Zijn muzikale voorbeelden, Teddy Wilson (de pianist van Benny Goodman) en vooral Art Tatum, aanbad hij zozeer dat hij een maand geen piano aanraakte nadat hij Tatums Tiger Rag voor het eerst hoorde. Die bewondering is altijd gebleven - ook al werd snelheid een van Petersons eigen handelsmerken. Oscar Peterson, toen al mollig, werd al jong beroeps. Op zijn vijftiende kreeg hij zijn eigen wekelijkse kwartiertje op de radio; vanaf zijn 18de speelde hij, als enige zwarte, als solist mee met de Johnny Holmes Band, in Canada wereldberoemd; op zijn 20ste nam hij voor het eerst een plaat op. Maar de grote faam begon toen Peterson zomer 1949 kennismaakte met de Amerikaanse impressario Norman Granz. Die was, aldus de overlevering, eventjes in Canada en zat al in de taxi terug naar het vliegveld toen hij op de radio een jazztrio hoorde. ,,Welke plaat is dat - en wie is de pianist?” zou Granz de chauffeur hebben gevraagd. ,,Dat is geen plaat, dat is live vanuit The Alberta Lounge en de pianist heet Oscar Peterson”, zei die. ,,Draai maar om, daar we gaan heen”, zei Granz. Oscar Petersons kennismaking met Granz leidde tot de langdurigste, en misschien ook wel de vruchtbaarste, relatie in Petersons bestaan. Norman Granz, in 2001 overleden, was de visionair met lak aan raciale segregatie. Hij zocht musici dus uit op kwaliteit, niet op kleur. Ook haalde hij jazz uit de nachtclubsfeer bracht het genre naar concertzalen. Elke herfst ging hij met een bus jazzmusici op een toernee van zogeheten Jazz at the Philharmonic (JATP)-concerten. In zijn 82-jarige leven versleet Oscar Peterson vier echtgenotes (die hem zeven kinderen gaven, het jongste op zijn 66ste) en bezetting van zijn trio een aantal malen. Maar in die lange loopbaan heeft Peterson maar één manager gehad: Granz. Die haalde hem naar de VS, liet hem eerst meedoen aan de jaarlijkse JATP-toernees, overtuigde hem ervan dat hij een vast, eigen trio moest vormen en nam, letterlijk, honderden platen met Peterson op. Het oeuvre dat Oscar Peterson op plaat en cd nalaat moge eindeloos groot zijn, zelfs onder de trouwste Peterson-fans heerst consensus dat de (inmiddels) oude het sterkst zijn. Niet die van de piepjonge Peterson, maar de platen van tussen 1953 en 1965. Dat waren de jaren van de twee beroemdste configuraties van het Oscar Peterson Trio: eerst het drummerloze trio met Ray Brown op bas en Herb Ellis op gitaar; vanaf 1958 met Brown en Ed Thigpen op drums. Die opnames, al dan niet met een beroemde solist erbij - en wie heeft Oscar Peterson niet begeleid? - horen tot de canon van de jazz. Petersons latere werk bevat soms onbegrijpelijk grote scheppen suiker. Sommige musici zijn simpelweg te groot om ze een miskleun niet te vergeven, maar toch vraag je je af wat hem (of, want zo schijnen de hazen vaak gelopen te hebben, Granz) heeft bezield om bijvoorbeeld met de klassieke violist Itzhak Perlman de studio in te gaan. In zijn niche van de samenleving moge Perlman een hele Piet zijn, in nummers als Misty is hij niet om aan te horen. Hoe meer het genius van Peterson doordrong tot het grote publiek, des te meer critici hem in de loop der jaren gingen verwijten wat hem eerder beroemd maakte: zijn technische perfectie zou hem ’glad’ hebben gemaakt, of hij zou ’niet vernieuwend’ zijn. Maar niet al Petersons latere werk is suikerig. Er zitten óók parels tussen, zoals het concert met zijn twee bassisten (Ray Brown en Niels Henning Ørsted Pedersen) in 1977. En zelfs na zijn beroerte in 1993, waardoor zijn linkerhand minder snel werd, speelde hij nog altijd virtuoos - zoals een cd met Roy Hargrove en Ralph Moore uit 1996 bewijst. Oscar Peterson heeft de wereld het meest perfecte pianospel laten horen dat je uit een vleugel kunt halen, zowel als begeleider als in de rol van solist. Het toont volmaakt evenwicht tussen vakmanschap en passie, tussen techniek en kunst. Het tweede grote Peterson-kunstwerk is de hechte perfectie van zijn trio’s. Bas, drums en gitaar zijn voor Peterson nooit alleen maar een voertuig geweest waarop hij zelf kon schitteren. Het schitterde zelf even hard. De zware, goedmoedig ogende Peterson (,,Jongens! Pak allemaal je keu! Er komt een biljart binnen!”, riepen zijn bandleden toen hij zich ooit een groen kostuum had laten aanmeten), was achter die façade een competitieve, scherpe man. In zijn autobiografie A Jazz Odyssey (2002) liet hij zich scherp uit over de toestand waarin de jazz zich bevindt. Peterson beschouwde jazz als de zwarte tegenhanger van ’klassieke’ muziek, en werd nijdig van het verschil in égards waarmee de twee genres worden behandeld - zeker in de VS. ,,Het koninklijk huis van de jazz zit in diepe problemen”, vond hij bovendien. Want niet alleen waren vorsten als Ellington en Gillespie dood, ook vond hij dat het aan opvolgers ontbreekt. In Petersons sombere visie regeert de commercie de muziekwereld; die wil gemakkelijke deuntjes, waarvoor niet die totale beheersing van het instrument nodig is die jazz vergt - die onverzettelijke wil tot perfectie. ,,Wel zijn er jongeren die zichzelf ’jazzmusicus’ noemen, al kunnen ze nog geen bluesschema herkennen. Ze lijken te denken: je hebt alleen een instrument nodig, een kapsel, en kapsones”, schreef hij zuur - alsof in zijn eigen Canada bijvoorbeeld niet Diana Krall was opgestaan. Maar zijn observatie over de oude jazz-vorsten was er niet minder juist om. Opnieuw is een vorst overleden. Bron: Trouw |
|
Er zijn nog geen reacties op dit nieuwsbericht.
Laatste nieuws:
-Ruben Hein Acous...Actieve onderwerpen:
-BIRDsessions ft....