Internationaal

Miles Davis: een Parijse nacht, Amsterdamse zalen

In een Parijse radiostudio in 1957 speelt Miles Davis zonder partituur bij filmbeelden. Nederlandse zalen hoorden later dezelfde houding live — tot de comeback op North Sea.

Miles Davis met trompet, ca. 1947. Foto William P. Gottlieb, public domain.
Miles Davis met trompet, ca. 1947. Foto William P. Gottlieb — public domain (Library of Congress / Wikimedia Commons).

In een Parijse radiostudio in december 1957 kijken blazers mee naar zwart-witbeelden: een lift, een moord, een vrouw in de nacht. Er ligt geen partituur. Miles Davis speelt wat die beelden vragen — later de soundtrack van Ascenseur pour l’échafaud. Juliette Gréco zei over hem: «Very modest, like all great musicians.» Dezelfde week staat hij in het Concertgebouw in Amsterdam, en Nederlandse zalen hoorden daarna de sprongen live: cool in de Grote Zaal, de schok van 1960 toen Kind of Blue Europa nog niet had bereikt, en de comeback op North Sea.

In die Parijse nacht is hij geen standbeeld. Barney Wilen, René Urtreger, Pierre Michelot en Kenny Clarke kijken mee naar de beelden en volgen Miles: wat de lift vraagt, wat de stilte tussen de shots vraagt. Louis Malle noemde die soundtrack later een cadeau. Je hoort iemand die bescheiden blijft naast de mythe — geen vibrato waar het telt, niet meer noten dan de shots vragen. Op 8 december 1957 staat diezelfde houding in het Concertgebouw in Amsterdam: cool, al vóór Kind of Blue de wereld in ging. Dezelfde week, twee continenten: Parijs bij de filmbeelden, Amsterdam in de Grote Zaal — één adem zonder opsmuk, en niet meer noten dan de beelden vragen.

Hieronder is Ascenseur pour l’échafaud te horen:

Op 17 augustus 1959 verschijnt Kind of Blue, en je hoort een houding: weinig noten, pauzes die mogen duren, demper op de trompet, middenregister zonder opsmuk. «So What» klinkt als iemand die wacht tot de zin binnenkomt — niet als een hit die af moet. Coltrane trekt lange lijnen terwijl Bill Evans akkoorden open laat staan, en de plaat leeft van wat ze open laten. Miles noemde de plaat later een «failed experiment». Toen Ben Sidran in 1986 zei dat critici hem op één zetten, antwoordde Miles: «Isn’t that something.» Je hoort iemand die de band laat openstaan tot het moment er is — en dan speelt wat die stilte vraagt.

Hieronder is Kind of Blue te horen:

Nederland botste er eerder mee dan de plaat aankwam. Op 9 april 1960 speelt Miles met John Coltrane, Wynton Kelly, Paul Chambers en Jimmy Cobb in het Kurhaus in Scheveningen, en die nacht opnieuw in het Concertgebouw. Kind of Blue is in Europa nog amper te krijgen — late zomer 1960 pas — dus mensen in de zaal kennen de namen, niet hoe die nieuwe muziek in elkaar zit. De zaal schuift. In de pers valt de vraag «elektronische jazz?» alsof de klank van een andere planeet komt. Michiel de Ruyter wil na afloop niet koel analyseren; hij schrijft over jazz van «buitenaardse schoonheid», zó dat je moeite hebt om te acclimatiseren. Coltrane klinkt «ongehoord»: hard, lang, zonder de troost van een bekende lijn. In oktober komt Miles terug in dezelfde Grote Zaal, nu met Sonny Stitt — opnieuw stampvol, 2471 kaarten volgens het Concertgebouw. Wel die eerste botsing: een publiek dat iets nieuws moest toelaten vóór de plaat het al had uitgelegd.

Eind jaren zestig trekt hij de stroom erbij. Bitches Brew uit 1970 is genoeg genoemd om te horen: elektrisch, band als laboratorium, opnieuw niet stilzitten bij wat al werkte. Dan volgt een stilte van ongeveer 1975 tot 1980 — bijna niet spelen, bijna van het podium af — tot hij in 1981 terugkomt met The Man with the Horn. Op 30 april 1982 staat hij weer in het Concertgebouw: dezelfde Grote Zaal, een andere Miles, nog steeds zonder vibrato waar het telt. Op North Sea Jazz, 13 juli 1985 in het Tuinpaviljoen van het Congresgebouw, speelt hij met onder meer John Scofield en Bob Berg, en op 10 juli 1987 opnieuw in Den Haag, van 17.00 tot 18.30 uur in het Tuin Paviljoen. Geen late-night-mythe. Wel een middagpodium waar festivalpubliek hem opnieuw hoort als Miles — veranderd, herkenbaar. De stilte van de late jaren zeventig was geen einde; het was een pauze tot hij weer kon zeggen wat hij wilde, nu met jongere bandleden naast zich en dezelfde strakke toon die Nederlandse zalen al kenden.

Op 28 september 1991 sterft hij in Santa Monica, vijfenzestig jaar oud — en in 2026 zou hij honderd zijn geweest. Op 29 november speelt Rob van de Wouw Quartet 100 years of Miles and Coltrane in Club Dauphine, met Ben van den Dungen, terwijl die zomer in Chicago al een Electric Band-echo op het jazzfestival klonk.

In Echoes of a Genius zoeken ze zijn Europese spoor — Parijs, de soundtrack, mensen die hem meemaakten. Jaren later zitten musici die met hem speelden aan een tafel (’Round Miles) en praten over hoe hij klonk, zonder standbeeld.

Zet Kind of Blue opnieuw aan, of denk terug aan die Grote Zaal in 1960: dezelfde bescheiden trompet.